- Home
- | Weblog van Bert Middel
- | Praten
Praten
Toen mijn kinderen nog klein waren, antwoordden ze op de vraag wat hun vader voor de kost deed: “Die praat veel”. Kernachtiger en waarheidsgetrouwer kon het niet worden samengevat.
Ze hadden ook nog kunnen zeggen dat papa veel schrijft, maar blijkbaar was dat hen minder opgevallen. Ze konden toen nog amper lezen.
Met dat praten en schrijven is het altijd zo gebleven. Ik heb het geluk gehad om vanaf mijn twintigste in velerlei soorten functies te kunnen werken. Meestal totaal verschillend van elkaar, maar wel met als overeenkomsten dat er veel gepraat en geschreven moest worden. Dit praten viel vaak onder de noemer overleggen of vergaderen, het schrijven had betrekking op zowel beleidsstukken en brieven (ook mails) als artikelen en boeken. Op dat schrijven ben ik in een vorige blog al ingegaan (30 mei jl.).
Zoals je op allerlei manieren kunt schrijven, geldt dit ook voor praten. In mijn huidige functie is het leuk dat je veel met mensen praat. Over van alles en nog wat en op totaal verschillende abstractieniveaus. In je werk praat je zowel functioneel als sociaal. Het eerste heeft vooral betrekking op zaken die met je functie te maken hebben, het tweede op mensen in je omgeving. Daarbij kun je denken aan medewerkers, aan collega’s, maar ook aan burgers die je waar dan ook tegenkomt.. Een bestuurder – of politicus of ambtenaar – die niet in staat is om met gewone mensen over gewone dingen te praten, maakt het zichzelf niet gemakkelijk. Deze zogenaamde ‘smalltalk’ – in gewoon Nederlands heet dit ‘geklets’, maar dat klinkt zo negatief – is belangrijk in relaties met anderen, ook wanneer deze vooral functioneel zijn. Gelukkig interesseert eigenlijk alles me wel, zodat er altijd genoeg gespreksstof is.
Als burgemeester moet je vaak in het openbaar wat zeggen. Bij openingen, bij speciale gelegenheden, tijdens raadsvergaderingen en wat al niet meer. Men verwacht van de burgemeester een toespraak of in ieder geval een woordje en dat is terecht. Ik heb daar doorgaans veel lol in. Sterker nog, alleen een lintje doorknippen zonder ook even iets te kunnen zeggen, zie ik niet zo zitten.
Maar er zijn legio valkuilen. Dat merkte ik de afgelopen week weer eens, toen ik de nieuwe Speel-o-theek in Drachten mocht openen. Eerder viel het me op bij de opening van een speeltuin, van een dansfeest en van onze educatieve kinderboerderij, de Naturij. Hoewel het altijd volwassenen zijn die als vrijwilliger veel energie in deze voorzieningen hebben gestoken, zijn ze toch bedoeld voor kinderen. En kinderen willen spelen en dus niet luisteren naar toespraken. En dat is terecht. Daarom hooguit twee zinnen, misschien drie, en dan ook de kinderen betrekken bij de opening. En daarna meteen spelen. Dat is pas leuk. Misschien niet voor de volwassenen, maar wel voor de kinderen. En om hen gaat het.
Er zijn meer risico’s bij het spreken in het openbaar. Zoals het verliezen van het contact met je toehoorders. Wat dan weer tot gevolg heeft dat je alleen voor jezelf praat, wat toch niet de bedoeling was. Om dit te voorkomen, gebruik ik zo goed als nooit een vooraf geschreven tekst. Dat heeft het voordeel dat je het publiek voortdurend kunt aankijken en het zo mogelijk kunt betrekken bij je verhaal. Daarnaast is het mogelijk om heet van de naald in te gaan op wat er zoal gebeurt. Verder praat je meestal begrijpelijker in je eigen woorden dan wanneer je daar een geschreven tekst voor gebruikt. Maar kijk dan wel uit dat je niet in de ‘popi-jopi’-sfeer terecht komt. Je verspreken is voor jezelf niet erg en voor de toehoorders veel leuker dan te moeten luisteren naar een gortdroog voorgelezen verhaal. Probeer verder vooral niet ‘leuk’ te doen. Je kunt namelijk niet leuk doen. Dit ben je of dit ben je niet en dat bepaal niet jij maar dat doen je toehoorders wel.
Kortom, er gaat niets boven voor de vuist weg praten. Met desnoods – tegen de vergeetachtigheid – een paar punten op een papiertje ter grootte van een ansichtkaart. Een bijkomend voordeel is dat de voorbereiding van je verhaal gewoon tijdens het lopen, fietsen of autorijden kan plaatsvinden. Je hoeft immers niets op te schrijven. Alleen maar even denken. En tekstschrijvers zijn evenmin nodig.
Vaak hoor ik dat men een papier nodig heeft om zich zeker te voelen. Met als risico dat het voorlezen wordt. Zonder papier praten is niet een techniek die geleerd kan worden. Het gaat vooral om de houding die je aanneemt.
Er zijn twee uitzonderingen. Bij heel serieuze en emotievolle gelegenheden – zoals de Dodenherdenking in de Grote Kerk op de vierde mei, voorafgaand aan de stille tocht – schrijf ik van tevoren de hoofdlijnen van mijn verhaal op. Ook al omdat er vaak mensen zijn die het later nog even willen terugzien. En omdat ik gedichten of prozateksten in mijn verhaal verwerk.
Van de tweede uitzondering heb ik inmiddels afstand genomen. Deze betrof toespraken over zaken die nauw luisterden en goed in de publiciteit moesten ‘landen’. Zo sprak ik vorig jaar bij de opening van het nieuwe politiebureau in Drachten, waarbij ik inging op allerlei heikele zaken als de rechtspositie van de politieagenten en de samenwerking met andere gemeenten. Om zeker te zijn van een genuanceerde weergave in de media, had ik mijn verhaal uitgeschreven en het was van tevoren aan de pers verstrekt. Dit belette een van de aanwezige kranten niet om er een volstrekt verwrongen – en dus feitelijk onjuist – verhaal van te maken. Daar doe je dus niets tegen. Lezen is voor sommigen blijkbaar nog moeilijker dan luisteren. In deze opvatting werd ik bevestigd toen enige tijd later dezelfde krant er in slaagde de inhoud van een door mij geschreven column op een geheel eigen wijze weer te geven.
Ik heb er de les uit getrokken dat het opschrijven en vooraf uitreiken van wat je gaat zeggen zinloos is. Dat bespaart dus weer tijd. En de krant? Die heeft toch altijd gelijk. Als bestuurder kun je je daar beter maar bij neerleggen.
Eerste Vorige 36/95 Volgende Laatste

